Alle artikelen
Online artikel

Sportartsen helpen mee aan Mulier onderzoek in opdracht van Dopingautoriteit

10 februari 2021 in Doping

Vereniging voor Sportgeneeskunde

Het Mulier Instituut doet in opdracht van de Dopingautoriteit onderzoek naar de visie van het begeleidingsteam van de sporter op het gebruik van doping in de topsport.

Hoewel is aangetoond dat de overweging om wel of geen doping te gebruiken sterk afhangt van het verwachte effect op de sportprestatie, blijkt dat de uiteindelijke keuze om wel of geen doping te gebruiken een zeer complex en dynamisch proces is. Een belangrijke schakel in dit complexe proces is de sociale omgeving van de sporter. Coaches, trainingspartners, medische staf, maar ook ouders of partner spelen een belangrijke rol in de keuzes die een sporter maakt.

Het Mulier insituut is daarom benieuwd naar wat het begeleidingsteam verstaat onder een ‘schone sport’ en hoe zij hun rol zien in het begeleiden van de sporter naar de hoogst haalbare sportprestatie zien.

Sportartsen van de Vereniging voor Sportgeneeskunde (VSG) helpen mee aan dit onderzoek door middel van interviews en deelname aan een focus groep om de volgende boodschap uit te dragen: De VSG wijst het gebruik van geneesmiddelen zonder dat daarvoor een medische indicatie bestaat af. Gebruik van medicatie die vanuit gezondheidsperspectief noodzakelijk is moet echter geen belemmering vormen voor topsporters.

De visie van de VSG is vastgelegd in de richtlijn voor het sportmedisch handelen.

Het primaire aandachtspunt van de sportarts bij het sportmedisch handelen is altijd de gezondheid van de sporter, ook als hij geconsulteerd wordt door de sporter of een begeleider over (de medische aspecten van) sport- of prestatieverbetering. De sportarts zal bij een medische indicatie van voorgeschreven dopinggeduide middelen door een behandelend arts, na toestemming van en in samenspraak met de sporter en de behandelend arts zoeken naar een vergelijkbaar effectief (ander) geneesmiddel dat niet op de (inter)nationale dopinglijst(en) voorkomt.
Indien een arts bij de begeleiding van sporters geconfronteerd wordt met het gebruik van dopinggeduide middelen die de sporter(s), zonder dat er sprake is van een medische indicatie, gebruikt (gebruiken) in het kader van het streven naar prestatieverbetering, heeft de sportarts de plicht de desbetreffende sporter(s) het gebruik van deze middelen te ontraden.
De sportarts informeert de sporter over mogelijke bijwerkingen van voedingssupplementen en houdt bij het adviseren over en voorschrijven van voedingssupplementen rekening met gezondheidsverbetering en de vigerende internationale dopingregelgeving.